De Ventoux krijgt nogal wat naar z’n kop geslingerd. 
Wie door het mythische maanlandschap zwoegt, de longen brandend bij elke ademteug, de benen stijf van zuur, heeft zelden fraaie woorden over voor de berg.
Waarom sta ik hier dan in hemelsnaam toch aan de start? 
Waarom toch sta ik om half 7 in de ochtend met een paar duizend Vlamingen paraat om richting wolken te fietsen? 
Ondanks alle verwensingen, pijn en zweet, geen weg meer terug: die berg op!

De Ventoux roept mij, trekt mij naar zich toe, laat me maar niet los.
Als was het een Lorelei voor fietsers. Wat is dat toch dat mij die flanken opdrijft?
Ik denk dat het de overstijging is. 
Geen andere plek in Europa verzinnebeeldt dat beter.

Want hoe nietig voel je jezelf niet als je aan z’n voet staat? 
Hogerop murw gemalen door de steile kilometers. 
Nog later: mak gebrand door de felle zon.
Of platgeslagen door de hevige wind wanneer ook de bomen er genoeg van hebben. 
En hoe nederig, stil, ingekeerd ben je wel niet wanneer je voorbij het monument voor Tom Simpson fietst? 
Intussen misschien moedeloos frunnikend aan je verzet, 
tegen beter weten in hopend op toch nog ergens een vergeten kransje.

Maar dan – quasi onverwacht – doemt die rood-witte toren op. 
De vleugels die je dan krijgt, daar kan geen energiedrank tegenop. 
Boven te staan en te weten: ik heb het beest verslagen, ik heb de reus geveld! 
Dan voel je je groter dan eender welke berg. 
Dan wordt niet meer gescholden of gevloekt. 
Dan rest enkel nog: merci, bedankt.

Wie de Ventoux bestijgt, overstijgt vooral zichzelf. 
Niet alleen op de flanken van de berg: maar ook de maanden vooraf. 
Van zodra je uit de zetel en op de fiets bent gestapt voor de honderden trainingskilometers die voor de boeg staan.

Na 182 Zuid-Franse kilometers in de benen en een hoogtemeterstand van meer dan 4500 kwam ik moe maar voldaan aan met maar 1 bedenking: ik heb mijn grenzen weer verlegd.